Lang geleden zag ik in het van Abbemuseum een tentoonstelling van Marlene Dumas. Er hing een hele serie protretten aan de muur die met heel weinig verf en bijna lege gezichten waren getekent. Bijna een zombieachtige serie mensen die toch ieder persoonlijk een eigen, bijna geen, gezicht hadden. Die manier van schilderen gebruikt ze vaker en iedere keer weer ben ik geboeid door hetgeen ze laat zien. Ze verstaat zo goed de kunst van het weglaten dat de nieuwsgierigheid me blijft prikkelen.
Van die portretten heb ik geen voorbeelden kunnen vinden maar het schilderij hieronder laat een beetje zien waar ik het over heb en geeft me dezelfde nieuwsgierige fascinatie.

Het kwaad is banaal.
De portretten van Charley Toorop hebben over het algemeen een veel zwaardere penseelstreek en zijn bijna hard te noemen in vergelijk met de zachte manier waarop Dumas met de drager en het medium omgaat.
Toch vond ik bij Toorop een schilderijtje dat mij op dezelfde manier boeide als het werk van Dumas. Verwonderlijk hoe ze ook deze manier van schilderen beheerst en ermee omgaat. Zo zacht en passend bij een babyportretje. De ogen eisen onmiddelijk alle aandacht op en spreken tot de verbeelding. De babykrul die rond de jaren ’40 ’50 algemeen op de babyhoofdjes zichtbaar was, is aandoenlijk.
De zware zwarte lijst zou je in eerste instantie voor zo’n schilderijtje niet bedenken, maar hier geeft het grote contrast een extra dimensie. Ik blijf mezelf de vraag stellen hoe het mogelijk is dat zo iets teers en liefs, waarbij ik in mijn verbeelding de babyzeep kan ruiken, bij mij toch zoveel vervreemding, vragen en leegte op kan roepen.
